Wie welke drug gebruikt, dat kan verschillen: jongeren zullen misschien eerder een joint roken dan veertigers; wie bureauwerk doet, drinkt misschien meer koffie dan een arbeider; bejaarden slikken meer slaap- en kalmeringsmiddelen dan jongeren.

Zeker wanneer iemand maar af en toe gebruikt is het echt niet makkelijk om met zekerheid vast te stellen dat die persoon drugs gebruikt. En bij pubers is het nog moeilijker om dat uit hun gedragingen af te leiden.
Veel van de opgesomde signalen zijn immers typisch voor de puberteit, een periode waarin er bij jongeren sowieso veel verandert en waarin ze zich vaak slecht voelen.

Wanneer wijzen veranderingen op druggebruik?

Het is vaak pas wanneer die signalen steeds vaker opduiken, wanneer ze ook blijven aanhouden of wanneer er veel verschillende signalen tegelijk zijn, dat de kans groot is dat het om druggebruik gaat. Je vragen en bezorgdheid uiten is alleszins belangrijk, om welk probleem het ook gaat.

Drugs worden naargelang hun effecten ingedeeld in drie groepen: ze kunnen oppeppen, verdoven of bewustzijnsveranderend werken (sommige drugs combineren twee van die drie effecten). Welk effect welke drug op iemands gedrag heeft, kan je nagaan in het Drugs ABC.

Bespreek de signalen die je opmerkt

Omdat het niet evident is te weten of bepaalde gedragingen een gevolg zijn van druggebruik of niet, is het belangrijk om veranderingen die je opmerkt aan te kaarten. Praat over je bezorgdheid. Zo laat je aanvoelen dat je de persoon in kwestie (bijvoorbeeld je kind of partner) niet uit het oog verliest.

Of iemand drugs gebruikt of niet, kan onderwerp worden van een welles-nietes-discussie. Maar dat iemand er niet goed uitziet, er bedrukt bijloopt of slechte resultaten behaalt, dat hoeft geen punt van discussie te zijn. Daarover praten lukt waarschijnlijk een stuk makkelijker.