Wat je moet weten over hoe een test werkt
- De meestgebruikte manier om drugs op te sporen is via de urine of het speeksel. Denk bijvoorbeeld aan speekseltests in het verkeer.
- Sporen van drugs kunnen ook in het bloed, het zweet en in het haar teruggevonden worden. Maar die manieren van testen komen minder voor, omdat ze omslachtiger en duurder zijn.
- Sneltests die je zelf kan kopen en uitvoeren, kunnen niet alle drugs opsporen. Minder vaak voorkomende of nieuwe drugs worden er niet mee teruggevonden. Meer nog: dat ze met een speeksel- of urinetest niet terug te vinden zijn, is voor sommige mensen een reden om net dat soort onbekende en vaak gevaarlijkere drugs te gebruiken.
- Ook bij een labotest (een laboratoriumanalyse) via de huisarts zal niet zomaar of automatisch elke mogelijke drug teruggevonden worden. Het labo kan enkel gericht zoeken naar sporen van de drug of drugs waar uitdrukkelijk naar gevraagd wordt.
- De sneltestjes zijn betrouwbaar, zeker als je ze via een betrouwbare weg aanschaft (apotheek of erkende online apotheek). Het is wel belangrijk dat de test op de juiste manier wordt uitgevoerd. Als de instructies onduidelijk zijn of niet goed gevolgd worden, kan dat voor een verkeerd resultaat zorgen. Net zoals dat bij een zwangerschapstest of een covid-test het geval is.
- Een test is altijd een momentopname. In de urine zijn de afbraakstoffen langer terug te vinden dan in speeksel, maar dan nog is dat beperkt in de tijd. Hooguit een paar dagen, in speeksel nog veel korter. Cannabis is een uitzondering, dat kan wat langer opgespoord worden.
- Net zoals dat bekend is bij dopingcontroles, is er gesjoemel mogelijk door de persoon die getest wordt. Bijvoorbeeld door te knoeien met het urinestaal, maar ook met – soms gevaarlijke – trucjes om de drugssporen sneller uit het lichaam te krijgen.
Een test heeft dus beperkingen. Het resultaat (positief of negatief) biedt niet altijd de gehoopte duidelijkheid. Soms roept het meer vragen op dan het antwoorden biedt.